ondernemers

Onderzoek onteigening joods vastgoed tijdens WOII in Oisterwijk afgerond


Het college (burgemeester en wethouders) laat weten dat een onderzoek naar in de Tweede Wereldoorlog afgenomen onroerend goed van joodse eigenaren is afgerond. Hiervan heeft het college onderstaande verslag opgesteld:

Op 29 september 2021 heeft onderzoeksplatform Pointer aan onder meer de gemeente Oisterwijk een mail gestuurd met de vraag of er onderzoek wordt gedaan naar de rol van gemeenten in de onteigening en doorverkoop van joods vastgoed tijdens de Tweede Wereldoorlog. Op de vraag van Pointer is medegedeeld dat de gemeente Oisterwijk dit nog niet heeft gedaan maar dit wel gaat doen. De uitkomsten van dit onderzoek staan in dit voorstel.

De drie percelen die destijds eigendom waren van een joodse koopman (Bron: kadastralekaart.com).

Op grond van de ‘Verordening betreffende het Joodsche Grondbezit’ moesten Joden bij de Niederländische Grundstückverwaltung (NGV) hun onroerend goedbezittingen melden. Deze werden vervolgens onteigend en in opdracht van de NGV doorverkocht. Dit is een praktijk die in heel Nederland voorkwam. Deze transacties zijn vastgelegd in zogenaamde ‘Verkaufsbücher’. Uit het overzicht hiervan dat Pointer ter beschikking heeft blijkt dat ook in Oisterwijk in het najaar van 1943 onroerend goed dat in joods bezit was op bovengenoemde wijze in handen gekomen is van een inwoner van ’s-Hertogenbosch.

Na de Tweede Wereldoorlog was het Nederlands Beheersinstituut (NBI) belast met het beheren en eventueel afnemen van vermogens. Het ging om vermogens van landverraders, van Duitsers in Nederland, en van tijdens de oorlog verdwenen personen, meestal gedeporteerde of ondergedoken joden. Ook de bezittingen van eerdergenoemde inwoner van ’s-Hertogenbosch, die de Duitse nationaliteit had, kwamen onder het beheer van het NBI. Door een lokaal onderzoeker en een medewerker Documentair Informatiemanagement is vervolgens uitgezocht welk onroerend goed hier is verkocht, welke gevolgen deze transactie tot de dag van vandaag voor de nabestaanden heeft en of de gemeente Oisterwijk nog actie moet ondernemen ten behoeve van de nabestaanden.

Bevindingen

Het onroerend goed waarover deze kwestie gaat betreft de later kadastraal omgenummerde percelen Oisterwijk sectie B 859 (nu B 2722), 1087 (nu B 1934) en 1089 (nu 1932). Het eerste perceel ligt aan de Kivitslaan, de anderen aan het Klompven. Deze percelen zijn op 18 april 1941 door een joodse koopman uit Den Haag als bouwgrond aangekocht. Na confiscatie door de NGV zijn deze percelen op 29 oktober 1943 verkocht aan een in ’s-Hertogenbosch wonende Duitse staatsburger. De verkoopakte is door een Bossche notaris opgemaakt. Er zijn geen aanwijzingen waaruit op te maken is dat (een vertegenwoordiger van) de gemeente Oisterwijk bij de confiscatie en doorverkoop betrokken is geweest.

Na de Tweede Wereldoorlog is door de joodse koopman rechtsherstel aangevraagd voor de eerder genoemde bouwpercelen. In december 1949 heeft de Gedelegeerde van de Raad voor Rechtsherstel een notaris uit Oisterwijk aangewezen als notaris-bemiddelaar inzake dit verzoek tot rechtsherstel.

In 1950 heeft de notaris met alle betrokken partijen overleg gehad waaruit onder meer overeen gekomen werd:

– dat alle partijen een rechtsherstelprocedure wensen te vermijden en de koopman volledig in zijn bezit en zijn eigendomsrecht zullen herstellen.

– dat betrokken partijen de koopovereenkomst tussen de NGV en de betrokken Duitser als nietig beschouwen en dat de overschrijving van de desbetreffende akte niet heeft geleid tot enige wijziging in het eigendomsrecht van de joodse koopman,

– dat partijen de opgaven omtrent grondbelasting, waterschapsbelasting, en de door de NGV ontvangen koopsom en een openstaande vordering jegens de betrokken Duitse staatsburger als juist erkennen.

– het NBI aan de koopman de kosten van zijn raadsman betaalt. De NBI betaalt ook de kosten van de notaris, de administratiekosten, en de kosten van de Raad voor het Rechtsherstel.

– alle hangende geschillen tussen de lastgevers zijn geheel geregeld en betalingen over en weer zijn gedaan.

Op 22 januari 1951 is door de Oisterwijkse notaris een akte opgemaakt. In de akte is geregeld dat de verkoop van eerder genoemde 3 percelen aan de Duitse staatsburger nietig wordt verklaard en dat het eigendomsrecht van de joodse koopman daarmee is hersteld. De akte wordt ingeschreven in het Kadaster.

De lokale onderzoeker heeft de nabestaanden van de joodse koopman getraceerd. Uit het huwelijk van de koopman zijn vier kinderen geboren. Twee zoons wonen wegens een handicap in een verzorgingshuis en de enige dochter woont in Spanje. De oudste zoon is opgezocht in Den Haag. Hij heeft wel eens in een gesprek de woorden ‘Oisterwijk’ en ‘ven’ horen vallen, maar is verder niet met de kwestie bekend. Het lijkt er niet op dat er nog gevoelens van frustratie of teleurstelling aanwezig zijn bij de nabestaanden van de koopman.

Kanttekeningen

In het Nationaal archief in Den Haag is een conceptakte aanwezig van de betrokken Oisterwijkse notaris, ongedateerd en niet getekend, waar bovengenoemde afspraken zijn opgetekend. De originele akte is niet aangetroffen en wellicht te vinden bij de archiefdienst van het Ministerie van Binnenlandse Zaken, Doc-Direkt te Winschoten, maar is daar slechts op te vragen door nabestaanden van een van de betrokkenen die in de akte staan vermeld.