brabantspronkjuweel

Oisterwijkse Heemkunde krijgt nieuw onderkomen in oude gemeentehuis Haaren


Oisterwijk mist een museum, en dat blijft nog even zo, maar Heemkundekring De Kleine Meijerij krijgt voorlopig wel een nieuw onderkomen.

In Oisterwijk moesten ze weg uit hun huidige pand. Dat pand lijkt een woonhuis, was jaren terug een slagerij, later het kantoor van ’t Kerkklokje (nu Nieuwsklok) en vervolgens ‘voor weinig’ gehuurd door de heemkundigen die het erfgoed van Oisterwijk en omgeving bewaren.

De etalage van het huidige pand aan de Spoorlaan.

Uit nood dus op zoek naar een nieuwe locatie, en dat was vanwege beperkt budget niet eenvoudig. De hulp kwam vanuit de gemeente, die een stukje van het oude gemeentehuis in Haaren voor een schappelijk bedrag verhuurt. Een museum is het nog niet, maar de vereniging is wel blij met deze plek, voor opslag en samenkomst.

Per 1 juli aanstaande is het Heemcentrum van De Kleine Meijerij voortaan dus in Haaren te vinden. De verhuizing van de Spoorlaan 70 naar Haaren zal plaats gaan vinden in de maanden mei en juni. ‘Een hele klus met een lange voorbereiding, die al veel tijd en energie van de betrokken heemkunde-vrijwilligers heeft gevraagd en ook de komende maanden nog zal vragen,’ zo laat de organisatie aan haar leden weten.

De gemeente Oisterwijk, eigenaar van het voormalige Haarense gemeentehuis, is verheugd dat ze naast enkele commerciële huurders nu ook een waardevolle maatschappelijke organisatie aan onderdak heeft kunnen helpen in het ’Huis van Haaren‘.

Het Gemeentehuis in Haaren (Foto: Joris van der Pijll).

De duur van de huisvesting is tijdelijk en afhankelijk van de besluitvorming over de bestemming die het pand uiteindelijk gaat krijgen. Dat betekent dat de heemkundigen nog steeds uitkijken naar een alternatief onderkomen, waar ook invulling kan worden gegeven aan een openbaar toegankelijke museale functie. ‘Wij zijn dan wel hoeders van erfgoed, maar dat betekent niet dat de collectie in ons depot en in de kasten moet blijven liggen. Het erfgoed is immers van ons allen en moet daarom ook getoond kunnen worden, het liefst in een echt museum.’