banner

Wie geeft Oisterwijker Sjef Paijmans een stem?


‘De eerste Engelse of Canadese tanks ratelden ons huis voorbij. Ze kwamen van de oostelijke kant van het villapark aanrollen en ik probeerde in gedachten hun marsroute vast te stellen. De Duitsers waren volgens mij verdwenen. Misschien zaten er nog een stuk of wat in het Noordwesten van het dorp…’

Een spotprent getekend door Sjef Paijmans (Bron: Regionaal Archief Tilburg)

Woorden uit het dagboek van Oisterwijker Sjef Paijmans (1919-2006), gedateerd op 26 oktober 1944, bij de bevrijding van Oisterwijk. In de collectie van Regionaal Archief Tilburg bevindt zich dit oorlogsdagboek, en daarvan wordt een podcast gemaakt, een ingesproken geluidsopname. Het doel is om de herinneringen van toen tot leven te laten komen. Voor het uitspreken van de woorden van Sjef Paijmans, zoek het Regionaal Archief een mannenstem, liefst van iemand tussen de 20 en de 40 jaar oud.

Auditie
Auditie doe je door een spraakbericht via WhatsApp te versturen naar Astrid de Beer via 06-53210807. Wat zij ook wiln weten is je naam en motivatie. Lees vervolgens onderstaande dagboekfragment voor. Spreek duidelijk! Een Brabants (m.n. een Tilburgs of Oisterwijks) accent is geen enkel probleem.

Uit het dagboek van Sjef Paijmans (1919-2006)

De eerste Engelse of Canadese tanks ratelden ons huis voorbij. Ze kwamen van de oostelijke kant van het villapark aanrollen en ik probeerde in gedachten hun marsroute vast te stellen. De Duitsers waren volgens mij verdwenen. Misschien zaten er nog een stuk of wat in het Noordwesten van het dorp. In eenmansgaten, met een mitrailleur, wat handgranaten en een karabijn. Veel waren het er in elk geval niet. Dit zou een mooie taak voor de ondergrondse geweest zijn, na te gaan hoeveel het er waren en waar ze precies zaten. Dat konden ze dan aan de Engelsen doorspelen, om zo onnodige beschietingen en vernielingen te vermijden. Aan het materiaal te zien, dat nu voorbij rolde, rekenden de Engelsen met een grote weerstand. Maar die was er in werkelijkheid niet. Waar bleven al die verzetshelden eigenlijk? Mijn moeder kwam mij waarschuwen dat ik mij moest verkleden, want straks zou er een rouwdienst gehouden worden voor onze buurman en alle anderen tijdens de bezetting omgekomen dorpelingen. Het was nu vier uur en wij waren bevrijd.

Sjef Paijmans in strafbarak 40a in interneringskamp Vught (Bron: Nationaal Archief)

En ineens kwam de agent van politie, de heer Berkers, bij ons over het tuinhekje gesprongen. Het ongeveer tien meter verdere ingangspoortje werd in de snelle actie als een strategische hindernis gezien en niet benut. Met een hatelijke en triomfantelijke grijns op zijn gezicht kwam hij in volle draf op mij toe, trok met de linkerhand een grote gele enveloppe uit zijn koppelriem. In de rechterhand had hij een groot kaliber pistool en hij brulde mij toe: “in naam der Koningin, handen omhoog, gij zijt gearresteerd!” “Is die nou al terug; dat is rap!” antwoordde ik laconiek en keek achter mij, want daar hoorde ik iets en ik keek pardoes in een geweerloop, die pal op mijn hoofd gericht was. Die blonde verzetsman, met dat grote geweer, kende ik toch, dat was ene Richard, ondergedoken geweest bij een broer van mijn compaan Willie Robben. Maar daar was er nog een om het huis geslopen bij die snelle actie. Berkers was mij van voren benaderd en twee anderen waren om het huis heen gelopen om mij van achteren onder vuur te nemen. Dat tweede baasje kwam mij ook vagelijk bekend voor, hij had ook een grote revolver in de ene hand, in de andere een handgranaat. Dus deed ik maar wat van mij nadrukkelijk verwacht werd en stak de beide armen aarzelend omhoog. Moeder kwam ook om het huis heen, keek de agent vernietigend aan en zei: “drie van die snotneuzen hier in onze tuin, maar gij”, en daarbij wees ze op de dorpsagent, “gij zijt wel de grootste snotneus!” Met een woeste zwaai van zijn pistool vaagde hij mijn moeder weg”.