banner

Hoe ging het met discriminatie en tolerantie in Oisterwijk?


Historicus Ad van den oord, vertelt over de Oisterwijkse Jodenkerksteeg, en beschrijft voorbeelden van intolerantie in Oisterwijk jegens de Joden.

Over de Jodenkerksteeg en hoe tolerant was Oisterwijk?

Internationaal wordt er veel aandacht besteed aan racisme en discriminatie. Op Oisterwijkse sociale media wordt nu vaak gesteld dat het hier wel meevalt. Was dat historisch ook zo?

Internationaal en nationaal wordt er momenteel veel aandacht besteed aan racisme en discriminatie. Het valt op dat via Oisterwijkse sociale media vaak gesteld wordt dat het hier ter plaatse allemaal wel meevalt. Waren de Oisterwijkers inderdaad altijd zo verdraagzaam ten opzichte van anderen of andersdenkenden? Oisterwijk had in de eerste helft van de negentiende eeuw nog een grote Joodse gemeenschap (bijna honderd personen) met een eigen synagoge in de Kerkstraat. Die stond er al vanaf de achttiende eeuw. Rond 1809 was de synagoge in een dusdanig bouwvallige staat dat koning Lodewijk Napoleon steun toezegde voor nieuwbouw. Op 8 mei 1811 zou de eerste steen zijn gelegd, maar een andere bron stelt dat de nieuwbouw nooit tot stand is gekomen.

De Jodenkerksteeg in Oisterwijk (Bron: Ad van den Oord)

Wel bleek er binnen de Oisterwijkse bevolking haat te bestaan jegens de Joden en de synagoge. In 1837 klaagden twee Joden bij het gemeentebestuur dat ouders hun kinderen ophitsten om lawaai te schoppen wanneer er een dienst aan de gang was in de synagoge. Het provinciebestuur tikte het Oisterwijkse gemeentebestuur zelfs op de vingers: het had verzuimd de veldwachter de openbare orde te laten bewaken bij de synagoge. Joden werden op straat uitgescholden voor ‘smousen’, de synagoge werd door de Oisterwijkers vrij algemeen als ‘smousenkerk’ betiteld. Een Oisterwijkse vrouw schold in 1842 drie Joodse kooplieden uit voor ‘zodemieters’ (homo’s) en ‘Vrijmacons’ (vrijmetselaars). Twee jaar later werden het hekwerk en enkele zerken van de Joodse begraafplaats vernield en zelfs een graf open gegraven. In januari 1888 werden alle ruiten van de synagoge aan de Kerkstraat ingeworpen, zonder dat de daders achterhaald werden. In 1903 werd een muurtje aan de straatkant voor de synagoge vernield en ondanks een aangebracht ijzergaas sneuvelden in maart 1907 wederom alle ruiten aan de voorzijde van de synagoge.

De synagoge was in 1907 al lange tijd niet meer in gebruik. Er woonde toen nog slechts één Joods gezin in het dorp: de familie Van Oss, die in de Kerkstraat een slagerij had. De weduwe Judith van Oss-van der Heijden zou op 27 augustus 1907 de bouwval van de synagoge met tuin voor fl. 1100 verkopen aan Wilhelmina Kusters (of Koster). Opvallend was een toevoegende bepaling in de notariële akte: ‘dat de koopster noch hare opvolgers in den eigendom nimmer eene rund-, varkensslagerij of dergelijke inrichting in of op het gekochte mogen uitoefenen op verbeurde ener boete van duizend gulden ten behoeve der verkoopster’. Daar had natuurlijk vooral de familie Van Oss belang bij, zoon Samuel van de weduwe Van Oss dreef op dat moment een ‘vleeschhouwerij’ in de Kerkstraat. Helaas ging na de verkoop en afbraak van de synagoge veel van de inventaris verloren. Op dit moment herinnert alleen het straatnamenbordje ‘Jodenkerksteeg’ nog aan deze bijzondere geschiedenis. Een klein deel van de muur van de synagoge in het steegje is nog intact.