De lezing: “….van boer tot industriearbeider”, gecombineerd met excursie naar het onlangs gerestaureerde ketelhuis van de KVL, is een overtuigende statement voor behoud van industrieel erfgoed in  Brabant en Oisterwijk in het bijzonder. 

Ad van den Oord wist met een aaneenschakeling van feiten en anekdotes de ontstaansgeschiedenis van de Oisterwijkse leerfabriek van circa 1850 tot 1940 goed weer te geven; met een sterk gedokumenteerd en geïllustreerd verhaal het publiek te boeien (“Theo volgende dia”).

Bekende namen en anekdotes vliegen voorbij. Niet na te vertellen. Toon de Flap, buurt de Gastjes, diverse burgemeesters, onnavolgbaar schakelt Van de Oord historische gegevens met sociale samenhang. Aan de hand van de huishoudboekje verklaart hij diverse keuzes en achtergronden. Stropen was vaak economische noodzaak om rond te komen. De mastedollen werden verzameld en dienden als brandstof. Mest was handelswaar zoals blijkt uit diverse openbare verkoopadvertenties.

Verandering, vooruitgang

De asem van Beëlzebub, de duivel zelve, zo werd aanvankelijk de oorlog verklaard aan de verandering door opkomende stoomkracht. Zowel de spoorwegverbinding (station Oisterwijk 1863) als de energie en warmtevoorziening van de Koninklijke Verenigde Leder (KVL) werden gedreven door stoommachines. Uit grafieken blijkt dat een steeds groter deel van de inwoners uit Oisterwijk zijn inkomen verdient uit de opkomende industrie.

Voor de excursie naar de stoommachine en het ketelhuis gingen de gasten te voet of op de fiets van Tiliander naar de lederwarenfabriek. Ze werden aldaar enthousiast ontvangen door vrijwilligers van de stichting Stoommachine Oisterwijk. Vol passie en vuur wordt er verhaald over de imposante stoommachine en de vergevorderde plannen om deze te re-animeren.

Erfgoed Brabant heeft als organisator van de Brabants Erfgoed Biënnale (BEB)-lezing het belang van industrieel erfgoed overtuigend aangetoond. Theo Cuijpers heeft met deze lezing en excursie een waardig afronding van het themajaar rond industrieel erfgoed verzorgd.

Tekst en foto: Karel Verkerk